Correlaties tussen beleggingscategorieën
Nu heb ik meer dan genoeg materiaal. Ik schrijf het artikel.
Spreiding werkt pas goed als de onderdelen van je portefeuille niet in hetzelfde schuitje zitten. Correlatie is de maatstaf die dit vastlegt: een getal tussen -1 en +1 dat aangeeft in welke mate twee beleggingscategorieën dezelfde kant op bewegen. Begrijp je correlaties, dan begrijp je waarom twee portefeuilles met dezelfde aandelen toch een heel ander risicoprofiel kunnen hebben.
## Wat correlatie betekent en wat niet
Een correlatie van +1 betekent dat twee categorieën altijd gelijk bewegen. Een correlatie van -1 betekent dat ze altijd tegengesteld bewegen. Nul betekent: geen lineair verband.
Hier zit een veelgemaakte denkfout. Beleggers verwarren diversificatie met hedging. Roncalli (2024) laat dit scherp zien: een lage of negatieve correlatie betekent niet automatisch dat je goed gespreide portefeuille beschermd is. Twee assets kunnen een correlatie van -70% hebben en toch slechte diversificatiepartners zijn, als hun rendementen simpelweg elkaars spiegelbeeld zijn zonder zelfstandige opwaartse kracht. Het gaat niet alleen om de richting, maar om de zelfstandigheid van de rendementen.
## De correlaties tussen grote categorieën
Uit empirisch onderzoek van Roncalli (2024) over de periode 2000-2016 komt een duidelijk beeld naar voren voor de vier grote categorieën, aandelen, staatsobligaties, grondstoffen en valuta.
Aandelen onderling, verdeeld over de VS, Europa, het VK en Japan, zijn sterk positief gecorreleerd. Europese en Britse aandelen bewegen met een correlatie van 0,87 nagenoeg samen. VS en VK zitten op 0,79. Hier haal je weinig diversificatievoordeel binnen de aandelencategorie als je alleen regionaal spreidt.
Staatsobligaties en aandelen laten een negatieve correlatie zien: de correlatie tussen Amerikaanse aandelen en Amerikaanse obligaties bedroeg in die periode -0,35. Obligaties fungeren dus als tegengewicht als aandelen dalen. Grondstoffen en valuta laten doorgaans lage correlaties zien met zowel aandelen als obligaties, wat ze waardevolle bouwstenen maakt voor een gespreide portefeuille.
Asness, Moskowitz en Pedersen (2013) voegen een interessante laag toe. Zij tonen aan dat value-strategieën positief gecorreleerd zijn met andere value-strategieën over asset classes heen, en momentum-strategieën hetzelfde doen voor momentum. Tegelijkertijd zijn value en momentum onderling negatief gecorreleerd. Dat maakt ze, gecombineerd in één portefeuille, een krachtig koppel.
## Correlaties zijn niet stabiel
Dit is het deel dat veel beleggers verrast. Correlaties verschuiven over tijd, en juist op de slechtst mogelijke momenten.
Damodaran wijst op onderzoek van Yang, Tapon en Sun (2006), waaruit blijkt dat de correlatie tussen de VS en het VK steeg van 0,63 naar 0,82 tussen de periodes 1988-1992 en 1998-2002. Globalisering heeft aandelenmarkten dichter bij elkaar gebracht. Opkomende markten bewogen in 1980 met een correlatie van 0,57 ten opzichte van ontwikkelde markten. In 2013 was dat 0,88 geworden.
Nog verontrustender is wat Longin en Solnik (2001) beschrijven: de correlatie tussen markten stijgt niet zomaar bij hoge volatiliteit, maar specifiek bij neerwaartse volatiliteit. In een bull markt diversifieer je prima. In een bearmarkt, precies als je spreiding het hardst nodig hebt, lopen markten samen. In september en oktober 2008 bewogen vrijwel alle wereldwijde aandelenmarkten synchroon omlaag.
Dit patroon is ook zichtbaar bij hedgefunds: gemiddelde correlaties tussen strategieën stegen van 0,15 in rustige periodes naar 0,27 tijdens crises, een stijging van 84%.
## Hoe je dit praktisch gebruikt
Het stoel-met-vier-poten-idee is de kern: een goede portefeuille staat op poten die onafhankelijk van elkaar dragen. Harmen van Wijk beschrijft in zijn werk dat spreiding niet alleen risico verlaagt, maar ook het rendement ten goede kan komen. Drie beleggingen met elk een gemiddeld rendement van 10% maar een standaardafwijking van respectievelijk 1%, 20% en 19% leveren gecombineerd nog steeds 10% rendement op, maar met een sterk gedaalde standaardafwijking. Het gemiddelde rendement blijft; het risico daalt.
De praktische vertaling voor een gespreide portefeuille is dan ook:
- Zorg voor categorieën met structureel lage onderlinge correlaties (aandelen, obligaties, grondstoffen, valuta, vastgoed).
- Combineer factoren die negatief gecorreleerd zijn, zoals value en momentum.
- Herbalanceer regelmatig, want correlaties verschuiven. Bij duidelijke marktstress is het verstandig meer gewicht te geven aan categorieën die historisch weinig meebewegen met aandelen.
- Vertrouw niet blind op historische correlatiematrices. Ze geven een gemiddeld beeld, maar houden niet stand in crisisperiodes.
## Correlatie is een startpunt, geen eindpunt
Een correlatiematrix is een nuttig hulpmiddel, geen garantie. De wetenschap is helder: diversificatie werkt structureel, maar haar beschermende werking is het zwakst precies wanneer markten in paniek raken. Dat maakt het bouwen van een portefeuille met meerdere echt onafhankelijke bronnen van rendement, en niet alleen regionale aandelenspreiding, het meest duurzame vertrekpunt.
**Bronnen:**
- Roncalli, T. (2024). "Course 2023-2024 in Portfolio Allocation and Asset Management". SSRN 4698165.
- Asness, C.S. Moskowitz, T.J. Pedersen, L.H. (2013). "Value and Momentum Everywhere". Journal of Finance.
- Damodaran, A. (meerdere edities). "Equity Risk Premiums (ERP): Determinants, Estimation and Implications". SSRN 2742186 / 3378246.
- Longin, F. en Solnik, B. (2001). "Extreme Correlation of International Equity Markets". Journal of Finance, v56, 649-675.
- Yang, L. Tapon, F. en Sun, Y. (2006). "International correlations across stock markets and industries: trends and patterns 1988-2002". Applied Financial Economics.
- "Dynamic Risk Allocation". SSRN 2357894.
*"Dit artikel is educatief bedoeld en vormt geen persoonlijk beleggingsadvies. Doe altijd je eigen onderzoek."*